De IT-kroniek in het Advocatenblad ontstaat jaarlijks na een zorgvuldige afbakening van het onderwerp en een strenge selectie van rechtspraak. Onvermijdelijk daarbij is dat bepaalde uitspraken achterwege blijven. Dit terwijl deze uitspraken vaak evengoed van belang zijn voor de ontwikkeling van het vakgebied en wel degelijk een signalering waard zijn.
Voor de geïnteresseerde lezer hebben wij dit jaar daarom een aantal aanvullende uitspraken (in willekeurige volgorde) uitgewerkt. Deze gaan over de aanpassing van infrastructuur door de leverancier, stilzwijgende verlenging van een lopende overeenkomst, redelijk loon in de zin van artikel 7:411 BW, een verzwaarde motiveringsplicht rondom geleverde resultaten, en de maatstaf van voldoende betrouwbaarheid bij een elektronische handtekening.
Geen verplichting leverancier tot aanpassing infrastructuur
In een procedure voor de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2025:2197) twisten partijen over de verplichtingen van NDC-IT bij levering van managed services aan I&DT.[1] Volgens I&DT diende NDC-IT wijzigingen door te voeren in de infrastructuur. Volgens NDC-IT was zij slechts verplicht de infrastructuur as is draaiende te houden. De rechtbank oordeelt dat onduidelijk is wat de overeenkomst inhoudt en partijen van elkaar mogen verwachten. Helder is dat partijen voorafgaand aan de overeenkomst gesproken hebben over wijzigingen. Zij hebben daarover echter geen overeenstemming bereikt. Om wijzingen aan de infrastructuur mogelijk te maken, diende I&DT bovendien wijzigingen in haar software door te voeren. I&DT mocht daarom redelijkerwijs niet verwachten dat NDC-IT eindverantwoordelijk was voor de infrastructuur en zij zou zorgen dat deze up to date was en altijd functioneerde. NDC-IT was met name gehouden de infrastructuur te beheren en te laten draaien. Structurele verbeteringen en aanpassingen vielen buiten de overeenkomst.[2]
Stilzwijgende verlenging overeenkomst door miscommunicatie
In een geschil tussen met haar IT-leverancier komt een miscommunicatie Het Utrechts Archief duur te staan. De rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2025:1671) oordeelt dat een overeenkomst voor werkplekbeheer tussen het Archief en haar leverancier niet tijdig is opgezegd en stilzwijgend voor drie jaar is verlengd.[3] Door een ongelukkige e-mailwisseling ontstaat miscommunicatie tussen het Archief, haar oorspronkelijke leverancier en een zusteronderneming daarvan, die een nieuwe overeenkomst aangaat met het Archief. In correspondentie met de zusteronderneming vraagt het Archief of het lopende contract met de oorspronkelijke leverancier door de overgang automatisch wordt stilgezet. Deze bevestigt dit. Het Archief mocht er echter niet op vertrouwen dat de oorspronkelijke leverancier daarmee instemde. Er is geen sprake van uitlatingen van de leverancier, waardoor artikel 3:35 BW niet van toepassing is. Van schijn van volmachtverlening (art. 3:61 BW) is eveneens geen sprake.[4] De toezegging van de zusteronderneming kan ook niet op grond van artikel 3:37 lid 4 BW aan de leverancier worden toegerekend. Die bepaling ziet op het onjuist overbrengen van een verklaring en daarvan is geen sprake. [5] Een beroep op de verlenging is eveneens niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Daarbij weegt de rechter zwaar dat partijen afspraken hebben gemaakt over de wijze waarop de overeenkomst beëindigd kan worden, deze regeling niet ongebruikelijk is en de miscommunicatie niet uitsluitend toe te rekenen is aan de leverancier.[6]
Geen afstand recht op redelijk loon door afspraak uitbetaling in aandelen
Ook de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2025:1620) spreekt zich in een geschil tussen Cimico en GLT uit over de verschuldigdheid van loon als bedoeld in artikel 7:411 BW.[7] Partijen gaan een overeenkomst aan waaronder Cimico voor GLT software ontwikkelt. Partijen spreken af dat als de samenwerking succesvol is Cimio een aandelenbelang in GLT ontvangt. Gaan partijen niet met elkaar verder dan ontvangt zij in 2020 een vast bedrag per maand. De samenwerking lijkt succesvol, maar partijen bereiken geen overeenstemming over de omvang van het aandelenbelang. De rechtbank oordeelt dat GLT Cimico alsnog moet betalen voor de werkzaamheden. Hoewel partijen de intentie hadden dat Cimico een aandelenbelang zou verkrijgen, ontbraken concrete afspraken daarover. Daarom kan niet worden vastgesteld dat Cimio slechts recht had een betaling in aandelen en afstand heeft gedaan van het recht op een andere wijze betaald te krijgen. Cimio heeft recht op een redelijk loon. De rechtbank sluit aan bij het voor 2020 afgesproken maandbedrag, ook voor latere jaren. Er is geen voor die jaren aan te sluiten bij een in de IT-branche gebruikelijk loon, nu Cimico bewust heeft ingestemd met een lager tarief in ruil voor de kans op toekomstige waardegroei via aandelen.[8]
Geen recht op volledig overeengekomen loon wegens tekortschieten
Ook in een geschil tussen TCB en Dot1 over ontwikkeling van een app door Dot1 komt de vraag welk loon verschuldigd is aan de orde. Bij het gerecht in eerste aanleg van Aruba (ECLI:NL:OGEAA:2025:347) ligt de vraag voor of TCB de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden wegens tekortschieten van Dot1.[9] Het Gerecht oordeelt dat sprake is van een tekortkoming, doordat Dot1 het resultaat van haar werkzaamheden niet aan TCB heeft getoond. Deze is echter van onvoldoende betekenis is om ontbinding te rechtvaardigen. TCB heeft de overeenkomst wel opgezegd. Dot1 heeft geen recht op het volledig loon (art. 7:411 lid 2 BW), omdat zij verzuimd heeft de app aan TCB te tonen. In plaats daarvan dient TCB een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon te betalen (art. 7:411 lid 1 BW).[10]
Verzwaarde motiveringsplicht bij onderbouwing resultaat ontwikkelwerkzaamheden
In een procedure voor de rechtbank Midden-Nederland (ECLINL:RBMNE2025:2811) rekent de rechtbank het een leverancier zwaar aan dat zij onvoldoende toelicht wat zij aan software heeft ontwikkeld en opgeleverd.[11] Partijen gaan een samenwerking waarbij de leverancier zich verbindt te werken aan rebranding en digitalisatie (ontwikkeling van een softwarepakket met website en bijhorende applicaties). Na vier jaar concludeert de afnemer dat alleen de website is opgeleverd, die bovendien niet functioneert als afgesproken. De leverancier schiet volgens de rechtbank op verschillende punten tekort, waaronder door problemen op de website niet tijdig op te lossen en door de broncode niet te verstrekken.[12] De stelling van de leverancier dat zij alle software heeft ontwikkeld en opgeleverd, volgt de rechtbank niet. De leverancier heeft in dat kader een verzwaarde motiveringsplicht, waarin zij niet heeft voldaan. Een door de afnemer ingeschakelde IT-deskundige constateert dat sprake is van aanzienlijke discrepanties tussen de geleverde software en de oorspronkelijke afspraken. Dit rapport weerspreekt de leverancier onvoldoende. De leverancier dient weliswaar drie ordners aan producties in, maar voorziet die niet van een nadere toelichting. De leverancier onderbouwt daarmee onvoldoende de rechtbank daaruit moet afleiden, anders dan dat zij veel werk heeft verricht. De rechtbank wijst erop dat producties stellingen kunnen ondersteunen, maar niet vervangen. Stellingen moeten voor de rechter en wederpartij helder en toetsbaar zijn en de partij die producties overlegt, moet duidelijk maken welke delen daarvan relevant zij voor welk standpunt. Partijen hebben een zogenaamde ‘wegwijsplicht’. De rechtbank mag ook niet zelf in de producties een zoektocht ondernemen naar wat mogelijk relevant is en waarom. Dat de software is ontwikkeld en opgeleverd is daarom onvoldoende gemotiveerd en de rechtbank gaat er vanuit dat de geleverde software niet voldeed aan de afspraken.[13] Nu de leverancier in verzuim verkeert, houdt de ontbinding door de afnemer stand. Omdat de leverancier geen reconventionele vordering heeft ingesteld tot teruggave van de door haar geleverde prestaties, althans een waardevergoeding, en ook geen beroep doet op verrekening, veroordeelt de rechtbank de leverancier alle door de afnemer betaalde vergoedingen terug te betalen. Daarbij wijst de rechtbank er ten overvloede op dat mede omdat de broncode niet is verstrekt de waarde voor de afnemer nihil is. Als de leverancier had gewild dat rekening werd gehouden met de door haar geleverde prestaties, had zij bovendien andere argumenten naar voren moeten brengen dan dat de door haar gemaakte kosten in schril contrast staat tot de betalingen van de afnemer.[14]
iDIN-methode niet onder alle omstandigheden voldoende betrouwbaar
Het hof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2025:6520) wijst daarin vorderingen van BMW af, met het oordeel dat gebruik van een internetbankiercode, geïdentificeerd via iDIN, bij het ondertekenen van een private leaseovereenkomst in dit specifieke geval onvoldoende betrouwbaar is. [15] Hoewel de elektronische handtekening met gebruikmaking van iDIN is aan te merken als een geavanceerde elektronische handtekening, heeft BMW onvoldoende inzicht gegeven in het verloop van het contact met appellante, hoe zij aan een kopie van het rijbewijs of andere bescheiden is gekomen en wie de auto heeft opgehaald. Dit klemt nu onaannemelijk is dat appellante betrokken was, omdat zij op vakantie was in Spanje. Door tegenstrijdigheden en ontbrekend bewijs concludeert het hof dat BMW tekortgeschoten is in de onderbouwing dat de geavanceerde elektronische handtekening waarvan gebruik is gemaakt (iDIN) gelet op alle omstandigheden van dit geval voldoende betrouwbaar is. De digitale handtekening heeft hierdoor niet dezelfde rechtsgevolgen als een klassieke handtekening, en er is geen sprake van een onderhandse akte die dwingend bewijs oplevert van de leaseovereenkomst (artikelen 3:15a BW en 157 Rv).[16]
[1] Rechtbank Amsterdam 2 april 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:2197 (I&DT/NDC-IT).
[2] R.o. 5.6 – 5.12 (I&DT/NDC-IT).
[3] Rechtbank Midden-Nederland 16 april 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:1671 ([eiseres]/Het Utrechts Archief).
[4] R.o. 4.2 – 4.4 (Leverancier/Het Utrechts Archief).
[5] R.o. 4.5 en 4.6 (Leverancier/Het Utrechts Archief).
[6] R.o. 4.11 – 4.12 (Leverancier/Het Utrechts Archief).
[7] Rechtbank Amsterdam, 12 maart 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1620 (Cimico/GLT).
[8] R.o. 4.3 – 4.6 (Cimico/GLT).
[9] Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 19 november 2025, ECLI:NL:OGEAA:2025:347 (TCB / Dot1\).
[10] R.o. 2.6 en 2.7 (TCB / Dot1).
[11] Rechtbank Midden-Nederland 11 juni 2025, ECLINLRBMNE:2025:2811 (Afnemer/Leverancier).
[12] R.o. 3.9 – 3.10 (Afnemer/Leverancier).
[13] R.o. 3.11 – 3.15 (Afnemer/Leverancier).
[14] R.o. 3.19 – 3.22 (Afnemer/Leverancier).
[15] Hof Arnhem-Leeuwarden 21 oktober 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6520 (appellante/BMW Financial Services).
[16] R.o. 3.9 en 3.13 – 3.16 (appellante/BMW Financial Services).