Hoe moet de contractuele relatie tussen Helpling en de schoonmakers worden gekwalificeerd?
De Hoge Raad heeft zich in dit arrest uitgesproken over de kwalificatie van de rechtsverhouding tussen schoonmakers die via het online platform Helpling werkten en de onderneming zelf. Het centrale geschilpunt was of de relatie tussen Helpling en de schoonmakers moest worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst, een uitzendovereenkomst of een andere contractvorm. Daarbij speelde ook de vraag of een particulier huishouden als inlener kan gelden in de zin van artikel 7:690 BW.
Helpling faciliteerde via haar platform de totstandkoming van afspraken tussen schoonmakers en huishoudens, waarbij huishoudens zelf konden kiezen uit een lijst van beschikbare schoonmakers. De schoonmakers bepaalden grotendeels hun eigen tarieven, binnen bepaalde marges, en accepteerden of weigerden opdrachten. Na uitvoering van de werkzaamheden werd een factuur gegenereerd via het platform, en verliepen betalingen verplicht via een derde partij (Stripe). Helpling rekende voor haar diensten een commissie en controleerde de betalingen.
Volgens het hof, wiens oordeel nu bevestigd wordt door de Hoge Raad, kwalificeert de relatie tussen Helpling en de schoonmakers als een uitzendovereenkomst in de zin van artikel 7:690 BW. De volgende omstandigheden leiden tot dit oordeel:
(i) de werkzaamheden vonden (altijd) plaats onder leiding en toezicht van het huishouden. Helpling had vrijwel geen enkel inzicht of, hoe en wanneer de schoonmaker zijn werkzaamheden verricht;
(ii) de terbeschikkingstelling van schoonmakers aan huishoudens vond niet incidenteel plaats, maar geschiedde in het kader van de uitoefening van het bedrijf van Helpling;
(iii) de schoonmakers werden door Helpling ter beschikking gesteld om arbeid bij de huishoudens te verrichten, krachtens een door de huishoudens aan Helpling verstrekte opdracht.
Cruciaal in de beoordeling was ook de vraag of om sprake te zijn van een uitzendrelatie in de zin van artikel 7:690 BW vereist is dat de inlener een onderneming is. Helpling stelde van wel, met een beroep op de wetsgeschiedenis, en ook de AG concludeerde dat een inlener normaal gesproken in het kader van een onderneming handelt, waardoor bij particuliere huishoudens geen sprake kan zijn van een uitzendovereenkomst. De Hoge Raad verwerpt dit betoog. Noch de wettekst, noch het stelsel van de wet stelt volgens de Hoge Raad deze eis. Ook particulieren kunnen volgens de Hoge Raad als inleners optreden, zolang de terbeschikkingstelling plaatsvindt binnen het bedrijf van de formele werkgever. Er kan dus ook sprake zijn van een uitzendovereenkomst in situaties waarin een werknemer tijdelijk arbeid verricht onder leiding van een particulier huishouden.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat het hof voldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen de huishoudens en de schoonmakers. Het hof wees namelijk op (i) de mogelijkheid van de huishoudens om te annuleren, (ii) dat de huishoudens er niet op worden gewezen dat zij bij ziekte moeten doorbetalen, (iii) dat de huishoudens per direct kunnen opzeggen en dat (iv) de huishoudens een boete moeten betalen als zij rechtstreeks een schoonmaker in dienst nemen.
Deze uitspraak laat zien dat digitale bemiddelingsplatformen die zich richten op dienstverlening aan particulieren, onder omstandigheden kwalificeren als uitzendwerkgevers. Daarbij geldt dat ook indien de werkzaamheden plaatsvinden bij particulieren, er toch sprake kan zijn van een uitzendovereenkomst ex artikel 7:690 BW. Daarnaast is uitspraak ook relevant voor 7:658 lid 4 BW, in die zin dat ook een particulier (huishouden) als (materieel) werkgever in de zin van artikel 7:658 lid 4 BW kan worden aangemerkt.
Deze teaser is geschreven door Jessica Stolk
Om de uitspraak te lezen klik hier.